9783990642344.jpg

Inhoudsopgave

Colofon

Inleiding

Toewijding

Inleiding

Amsterdam, een aantal jaren geleden, ergens in juni

Nachtelijke guerrilla

Baldadig

Kerstavond, zes maanden eerder: de voorbode van een catastrofe

September, twee jaar eerder: stilte voor de storm

Oud en nieuw: de eerste bom valt

5 september: de tweede bom valt

Løvhaugen, twaalf jaar eerder, waar het allemaal begon

Moeder

Terug naar dokter Hussain: de catastrofe ontvouwt zich

De strijd begint

Abc’tjes

Aan de oever van de dood

Remigreren

Het nieuwe strijdperk

De wereld aan mijn voeten

Een onvermijdelijk plot ontvouwt zich

Laten sterven wat sterven moet

De eerste oogst in vredestijd

Oud en nieuw

‘Levendoodleven’, nieuwe plekken, nieuwe plotten

Libelle

The law of attraction

Het Center Parcs-gevoel

Slapen en ontwaken

Zaaien en oogsten

Ego en helder bewustzijn

De sociomorfologische structuur

Mindgames

Waarnemen in helder bewustzijn, hoe doe je dat?

Universeel bewustzijn, aards of hemels?

Van Mitakuye Oyasin naar non-dualiteit

Van lijden naar zijn?

‘Losing your mind’

Het ontwaren van de poort

Epiloog

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2018 novum publishing

ISBN drukuitgave: 978-3-99064-233-7

ISBN e-book: 978-3-99064-234-4

Lectoraat: M. Moors

Vormgeving omslag: Cynthia Wilke

Omslagfoto, lay-out & zetting:
novum publishing

www.novumpublishing.nl

Inleiding

Met dank aan iedereen die ooit mijn pad kruiste, mij lering en wijsheid schonk en zo mede mijn pad de richting gaf die mij gebracht heeft waar ik nu ben. Dank aan Cees die mij de moed gaf mijn levensboek te openen. Dank aan Toddy voor haar onverdeelde steun en onzelfzuchtige aanmoedigingen die zo tekenend zijn voor haar grenzeloze moederliefde. En dank aan Marc met wie mijn boek en mijn pad gelijktijdig leken te kruisen. Die standvastig aan mijn zijde staat en met mij verweven lijkt in een dimensie die de schijnbare werkelijkheid van tijd en ruimte ver overstijgt.

Toewijding

Voor Giuseppe en Leander

Like the wings of a dragonfly

the vibration of divinity passes by

at its centre beauty and grace beyond compare

explosion and tranquility

in a serene lapse of time, in universal eternity

can we grasp it? are we there?

or do we flee in the stampede of mind?

Cynthia Wilke

Inleiding

De woorden die ik hier heb geschreven, vormen het soms rauwe verslag van een periode uit mijn leven. Een leven vol innerlijke vuren, frustratie en lijden. Het is een verhaal gelijk aan elk ander verhaal dat eenieder gedurende zijn leven schrijft, zich slechts onderscheidend door nuances. Een waarheidsgetrouwe weergave van de ‘middelmatigheid van het bestaan’ waaraan wij ten prooi lijken te vallen. Maar dát is niet de doelstelling op zich. Mijn verhaal heeft me ergens gebracht, zoals ieders verhaal iedereen ergens brengt. En als we ergens aangekomen zijn, zijn de inhoud van en de gebeurtenissen in dat verhaal inmiddels verworden tot vage schimmen van iets wat eens was en nu slechts bestaat als verhaal. Alleen het plot lijkt te zegevieren, want is dat niet waar alle verhalen naartoe leiden?

Natuurlijk kun je ervoor kiezen om vast te houden aan de inhoud van het verhaal en je identificeren met de hoofdpersoon. Zachtjes mee te lijden met haar verliezen en uitbundig haar zeges te vieren. Maar als het hoofdstuk of verhaal uit is, zijn deze belevenissen allemaal vervlogen, als schimmen van overleden dierbaren. We kunnen de schimmen koesteren, zelfs in zo’n mate dat ze voortleven. Maar wat koesteren we dan? Is dat niet een fantasie, een vervlogen illusie van iets wat eens was? Wat brengt het om de schimmen uit het verleden te koesteren? In een roman slaan we de bladzijde om en verkneukelen we ons onbevangen op weg naar de ontknoping van het verhaal. Maar ons eigen levensverhaal lijkt vooral te bestaan uit het terugbladeren in vervlogen hoofdstukken en het voortdurend bijsturen, teneinde een mogelijk ongewenst plot te vermijden.

Ik schrijf een verhaal over iets wat eens was, of geweest zou kunnen zijn. Zonder mijn verhaal was ik niet de vrouw die ik nu ben. Maar zijn we alleen ons verhaal?

Wat blijft er over als we alle verhalen, over wíe we zijn, afpellen en wegleggen?

Dat is een vraag die op een willekeurige voorjaarsdag in mij opkwam en niet meer wegging. Dit boek gaat over het antwoord op deze vraag. Maar zoals bij alle verhalen bestaat het plot bij de gratie van de inhoud. We moeten ergens vandaan, ergens naartoe, om tot de ontknoping te komen. In dit geval is het mijn pad dat wij een stukje samen bewandelen, het pad van Cynthia, de hoofdpersoon van dit boek. Maar op de personages en kleurnuances na verschilt het niet veel van jouw pad, want we dragen allemaal een bundel met levensverhalen die wat betreft omvang en inhoud niet wezenlijk van elkaar verschillen.

Aan het einde van de rit is niet het ene levensverhaal ondergeschikt aan het andere, ook al kan dat andere spannender, avontuurlijker, succesvoller of interessanter lijken. Het zijn de lessen die we leren en de wijsheid die ze brengen, die uiteindelijk waarde geven aan elke levenservaring.

Allemaal lopen we een pad dat ons, als we de laatste bladzijde van ons levensboek omslaan, terug zal voeren naar onze oorsprong. Maar wie schrijft dat boek? En als we de verhalen uit dat levensboek doorgronden, is het dan een roman of een autobiografie? Wat bestaat buiten ons levensboek? Wat is werkelijk?

Volg mij een stukje op mijn levenspad en laat je meevoeren naar je eigen pad. Het pad dat jij tot nu toe bewandeld hebt. Samen gaan we op zoek naar wat er overblijft na alle verhalen, ja zelfs na het plot. Dit boek is niet slechts een statisch verhaal over mij. Het is een interactieve uitnodiging om mee te gaan op zoek naar waarheden. Niet mijn waarheden, maar jouw eigen waarheden die zich afspiegelen tegen de achtergrond van mijn verhaal. Het is een ontdekkingstocht naar jouw ‘pure oorsprong’ via het spiegelbeeld van mijn ‘pure oorsprong’.

Wandel je een stukje met mij mee?

Amsterdam, een aantal
jaren geleden, ergens in juni

Het is avond. Ik weet niet precies welke dag of welke week. Ik weet alleen dat ik in een vierpersoonskamer ben, ongeveer op de vijfde verdieping in het ziekenhuis in Amsterdam, met uitzicht op een parkeerplaats. Het moet laat zijn, want ondanks de kleine tijdsafstand van de zonnewende, die valt op 21 juni, is het al donker.

Straatlantaarns verlichten de parkeerplaats. Af en toe rijdt er een auto die met zijn koplampen bewegende banen trekt over de objecten in de omgeving; ik volg met mijn ogen de spookachtige schijnsels over de gebouwen. Ik mijmer over wie de bestuurders zouden kunnen zijn, en over hun beweegredenen om op dit tijdstip de parkeerplaats van het ziekenhuis te verlaten.

Op de gang lopen verpleegsters heen en weer. Hun zachte zolen zijn hoorbaar op het vinyl van de ziekenhuisgang. Verpleegsters zijn altijd bijna geruisloos. Net rumoerig genoeg om hun
veilige aanwezigheid waarneembaar te maken, altijd bezig en toch beschikbaar. Ik ervaar een vreemde magie in een ziekenhuis,
’s nachts nog meer dan overdag. Een soort van ernst, want in een ziekenhuis ben je zelden voor je plezier. Een gelaten acceptatie van wat zich op je pad heeft aangediend, vermengd met hoop, angst en respect voor het ongewisse. In het gedruis van de dag lijkt de ernst te vervagen die ’s nachts zo overduidelijk de gangen en zalen vult.

Mijn hele lijf gonst. Ik ga uit mijn bed en schuif de deur naar de ziekenhuisgang zachtjes dicht. Als een dief in de nacht voel ik me. Ik wil alleen zijn om wat zich over mij uitstort ten volle te kunnen bevatten. Voor het eerst sinds vier dagen kan ik weer uit bed zonder de verpleegsters te hoeven vragen of ze de mobiele zuurstoftank, op een steekwagentje, even voor me willen aansluiten. Dit was 48 uur geleden nog onvoorstelbaar. Het leven blijft een aaneenschakeling van verrassende wendingen, bijna alsof het zijn loop neemt in totale onverschilligheid ten opzichte van de schamele pogingen die ik onderneem om er invloed op uit te oefenen. Als een rivier die naar de zee stroomt. Het maakt niet uit hoeveel stenen je in het water gooit, ze blijft eigenzinnig haar weg naar zee vinden.

Ik sta midden voor de ramengalerij van de ziekenhuiskamer, laat de wereld daarbuiten op me inwerken en voel me alsof ik beland ben in mijn eigen speelfilm. Een gevoel dat ik me ergens tussen droom en werkelijkheid bevind. Maar deze droom en deze werkelijkheid zijn intenser en mooier dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. Woordeloos mooi en tegelijkertijd ongekend vanzelfsprekend en ingetogen. Ik wil schreeuwen van uitzinnige vreugde, maar houd me in omdat ik besef dat ik daarmee die ernstige magie van het ziekenhuis in totale ontreddering zou brengen, en dat dan de deur open zou schuiven en het verplegend personeel in groten getale ‘to the rescue’ zou schieten. Dat is het laatste dat ik wil. Dan zou deze fantastische droom misschien ineens ophouden en de zeepbel van euforie waarin ik me bevind, knappen. In stilte koester ik het oorverdovende feestgedruis in mijn hoofd.

Ik besluit te dansen. Dansen zonder muziek. De ruimte is groot, dus ik kan mijn gang gaan. Al snel ben ik buiten adem en sta ik te tollen op mijn benen. Niet zo vreemd, gezien het feit dat de zuurstofslangetjes pas eerder die dag uit mijn neus mochten. Dansen brengt – in mijn conditie en zonder muziek – niet de bevrediging die mijn uitzinnigheid kan evenaren. Ik besluit me te storten op enkele qigong-oefeningen die mijn vriendin Isa me een jaar eerder heeft voorgedaan in het Frognerpark in Oslo, waar ik toen woonde, tijdens haar poging om een openlucht-
qigong-groep te starten. Ik heb eigenlijk geen idee meer hoe ze precies gingen en doe dus maar wat. Het maakt ook niet uit. De beheerstheid van deze bewegingsvorm past beter bij mijn fysieke gesteldheid. Daardoor kan ik het bewustzijn van wat zich binnen in mij afspeelt ten volle toelaten. In ieder geval voelt het alsof ik móét bewegen om de explosie binnen in me te kunnen dragen. Gillen of bewegen. Ik kies voor bewegen.

Wát zich afspeelt, is bizar. Elke poging om te beschrijven wat ik op dit moment beleef, schiet per definitie tekort. Dit is niet in woorden te vatten. Door het niet-definiëren van mijn beleving ontneem ik die tegelijkertijd haar bestaansrecht. Alsof ik het niet daadwerkelijk beleef. Ik wil het vatten in woorden. Ik wil het bevatten met mijn ratio. Het moet tastbaar zijn in mijn hoofd om het te kunnen laten bestaan, alsof het anders niet werkelijk zou plaatsvinden.

Ik voel me bijna vloeibaar. Zowel geestelijk als lichamelijk lijk ik te vervloeien tot een verticale zuil van allesomvattende energie die via mijn ruggenmerg, dwars door alle ziekenhuisvloeren heen, zijn oorsprong lijkt te hebben in de kern van de aarde en tegelijkertijd door alle plafonds heen lijkt te stralen tot de verste sterren van het universum. Is het een zuil? Of is het meer de vorm van een ster? Eigenlijk is het vormeloos, terwijl ik de sensatie wel degelijk waarneem. Met ongebreidelde verbazing besef ik dat het lijkt alsof ‘ik’ niet besta: er is geen begin of einde aan mij of mijn bestaan, geen verleden en geen toekomst, zelfs geen hier-en-nu. Het enige tastbare is een diepe waarneming van totale harmonie, voldoening en verbinding, met een oneindigheid die niet in woorden kan worden beschreven, maar als allesomvattend en ultiem perfect voelt. Aanschouwer en aanschouwd tegelijk. Tijdloos, moeiteloos, eindeloos, harmonieus en volstrekt eenvoudig. Alles ‘is’. In al haar ingetogenheid is mijn beleving zó krachtig dat ze zich vertaalt in dat oorverdovende feestgedruis dat bezit neemt van mijn hele wezen. Zwijgend gil ik van diepe vreugde: ik ben er nog, ik ben er, ik ben!

En zo ontwaak ik in een willekeurige nacht op 36-jarige leeftijd in een voor mij volstrekt nieuwe werkelijkheid.

Eén week eerder. Ik lig thuis in bed. Mijn moeder heeft net de telefoon gebracht. Terwijl ik moed verzamel om te gaan bellen met de behandelend arts in het ziekenhuis in Amsterdam, hoor ik beneden de ontbijtgeluiden. De twee kinderstemmetjes dragen het verst. De helderste is van mijn 7-jarige zoon Sergio, die na de paasvakantie ineens plompverloren vanuit de Noorse Barneskole bij juf Marianne in groep twee is beland. Het grootste gedeelte van de dag starend door het raam dat uitkijkt op de speelplaats, wachtend op de verlossende schoolbel die hem weer bevrijdt van zijn lot. Sergio spreekt naast vloeiend Noors al een behoorlijk mondje Nederlands voor de drie maanden die hij hier nu woont.

Slechts weinigen lijken oog te hebben voor de situatie van dit kleine manneke, wiens moeder doodziek is en wiens vader ineens weekendpapa is geworden. Vaak begrijpt hij niet wat er tegen hem wordt gezegd, omdat hij voornamelijk in het Nederlands wordt aangesproken en bij zinnen van langer dan drie woorden de draad kwijtraakt. Zijn hele leven is in drie luttele maanden tijd volledig ondersteboven gekeerd. Antonio, de kapper aan de Binnenweg, om de hoek van waar we sinds begin april wonen, is zijn grootste vriend. Daar krijgt hij aandacht en een luisterend oor voor zijn gebrekkige Nederlands, en altijd een glimlach en een lolly als hij er snel even naar binnen rent. Antonio heeft hem voorspeld dat hij over zes maanden al goed Nederlands kan. Daar vaart Sergio op. Lamar, Sergio’s broertje, is pas 1 jaar en zeven maanden. Van hem hoor ik voornamelijk “Tata”, “Diehie” en “Daha”. Hij is gelukkig onwetend van het drama dat zich om hem heen afspeelt. In ieder geval lijkt dat zo. Hij eet, slaapt, speelt en knuffelt zoals hij altijd heeft gedaan; onbevangen en moeiteloos meebewegend met de wereld om hem heen.

Ik hoest en rochel, en realiseer me de dreiging van de symptomen van behoorlijke koorts, ondanks een flinke dosis cortico­steroïden. Dat is foute boel of op zijn minst zorgwekkend, want de corticosteroïden zouden koorts moeten uitsluiten. Tenminste, zo heb ik het begrepen. De instructie is duidelijk geweest: als zich ooit koorts ontwikkelt, moet ik zonder uitstel de behandelend arts op de hoogte brengen. Dus toets ik het nummer van het ziekenhuis in en doe ik in een paar zinnen mijn verhaal bij de assistente. Zij zegt na mijn laatste zin – zonder enige aarzeling – dat dokter Van Pasen mij zal bellen zodra hij op zijn werk komt.

Een kwartier later gaat de telefoon.

“Met Rogier van Pasen. Ik heb net mijn assistente gesproken. Hoe hoog is de koorts?”

“Vanmorgen 38,3, maar gisterochtend voelde ik me ook al zo. Alleen heb ik toen de koorts niet gemeten.”

“Het is heel goed dat je gebeld hebt. Ik denk dat het zaak is dat je zo snel mogelijk komt. Ik zal zorgen dat er een bed voor je klaarstaat. Maar je moet helaas even zelf via de huisarts een ambulance laten komen. Dat kan ik van hieruit niet regelen.”

We hangen op en ik merk dat de schrik me om het hart geslagen is: ambulance. Ergens lag een onuitgesproken verwachting dat ik mijn zorgen zou melden bij mijn arts en dat het vervolgens ‘even aangekeken zou worden’. Er wordt toch altijd even aangekeken hoe iets zich ontwikkelt? Tenminste, dat is wel mijn ervaring. In dit geval wordt er gesproken over een ambulance. Dat is ’serious shit’.

Ik bel de huisarts en krijg ook daar geen enkele tegenwerping. Tien minuten later hoor ik vaag de sirenes van een ambulance. Uit alle macht roep ik mijn moeder, die naar boven komt.

“Die ambulance is voor mij. Wil je even open gaan doen, ze staan al voor de deur.”

Twee broeders komen mijn slaapkamer binnen.

“Kun je nog lopen? Anders moeten we de brandweer bellen, want een brancard krijgen we hier de trap niet af.”

Ik zie mezelf al bungelen aan de takel van een brandweerauto, tot groot vermaak van de hele buurt, en stap meteen uit bed.

“Ja, ik kan lopen.”

Maar daar is dan ook wel alles mee gezegd.

Ambulancepersoneel: net als verpleegkundigen in ziekenhuizen hebben zij ook die magie om zich heen. Ik heb me driemaal mogen verheugen in hun gezelschap, dus beschouw ik mezelf als een ervaringsdeskundige. Ze doen hun werk gefocust, gecontroleerd en vol toewijding, als stille rotsen in de branding, nagenoeg onmerkbaar maar tegelijk zo beschikbaar en verbonden. De karakteristiek van een ambulanceverpleegkundige: ferm, besluitvaardig, toegewijd en fysiek verrassend stevig. Dus, ondersteund door twee ferme, stevige armen wankel ik van de trap. Ik voel me een held, maar in de ogen van de ambulanceverpleegkundigen lees ik dat de werkelijkheid er vanuit hun perspectief wat minder heldhaftig uitziet. In hun blik spiegelt zich een vrouw, tango dansend met de dood.

De reis naar het ziekenhuis gaat grotendeels aan mijn bewustzijn voorbij. Ik verkeer in een soort waak-slaapmodus. Niet in staat of bereid om me emotioneel te verdiepen in wat zich afspeelt. Niets lijkt tot me door te dringen of me te boeien. Ik geloof dat er iets op de weg gebeurd is, want op een zeker moment zegt de verpleger dat ze via Amstelveen gereden zijn vanwege de files. Opschrikkend uit mijn waak-slaaptoestand ben ik nauwelijks in staat om te reageren. Al rijden ze via Istanbul, als ze mij maar lekker met rust laten.

Bij aankomst wordt mijn ratio opgeschrikt uit mijn zwevende bestaan en komt het vreemde besef over me dat ik het ziekenhuis binnenkom, via de verkeerde ingang. Bij ziekenhuizen ligt de ambulance-ingang niet zelden naast de bezoekersingang. Bij een bezoek aan een ziekenhuis waarbij dit het geval is, was er in het verleden altijd een besef dat het binnenkomen door de ambulance-ingang per definitie minder fortuinlijk is dan via de bezoekersingang. Nu kom ik dus binnen door de ingang van de ‘unlucky few’. Dit maakt indruk op me. Ik zie een paar bezoekers aan me voorbijtrekken. Als vanzelf verplaatst mijn waarneming zich naar hun perspectief. Ik aanschouw vanuit hun ogen die doodzieke, grauwe vrouw die uit de ambulance wordt getild, en denk verbouwereerd dat zij écht een ernstig verkeerd menu voorgeschoteld heeft gekregen. Ik wil die vrouw niet zijn. Godverdomme, ik wil die vrouw niet zijn!

Met zorg word ik geparkeerd terwijl de verpleger mij even gaat inchecken. Ik realiseer me dat – op mijn moeder na – al mijn andere dierbaren nog gelukkig onwetend zijn van mijn ochtendlijke escapades. Ik voel mij alleen. Niemand, écht niemand leeft mee. Niemand deelt mijn angst. Het is bijna alsof het hele schouwspel alleen in mij bestaat, alsof het niet werkelijk gebeurt. Zij doen gewoon wat ze anders ook doen en voor hen bestaat mijn realiteit niet, uitsluitend omdat ik ze niet op de hoogte heb gebracht. Vreemd is dat. Maar ergens kan het me ook niet schelen. Misschien ben ik te ziek, of misschien ben ik me juist wel extreem bewust van de relativiteit van het bestaan. Hoe dan ook, het is wat het is. Ik kan niets anders doen dan me overgeven. Alleen over Sergio heb ik wat zorgen. Hoe heeft hij de plotselinge deportatie (met gillende sirenes) van zijn moeder beleefd?

Nachtelijke guerrilla

Precies zoals de dag ervoor knap ik in de loop van de ochtend weer op. Als dokter Van Pasen – Rogier voor intimi en doodzieke leeftijdsgenoten; hij is ongeveer van mijn leeftijd – aan het einde van de ochtend voor mijn neus staat, gaat het alweer een stuk beter met me. De koorts is bijna weg en evenzo grotendeels de benauwdheid. Daarmee is niet gezegd dat ik kan worden uitgeschreven, want ik ben nog steeds ernstig ziek. Alles is relatief, want in mijn levenssituatie is elke verbetering ten opzichte van een voorgaande situatie een potentiële strohalm.

Rogier kondigt aan dat er wat bloed afgenomen zal worden om op kweek te zetten: hij vermoedt een ontsteking. Daarnaast krijg ik een CT-scan. Ik heb onderhand ook mijn luchtige en scherpe gevoel voor humor weer hervonden. Opgeruimd wisselen we uit over mijn fysieke toestand. Prednisolon is een cortico­steroïde, een paardenmiddel dat alle natuurlijke afweerreacties, zoals ontstekingen van het lichaam, onderdrukt. Ik slik het al een tijdje. Koorts ondanks een relatief hoge dosis Prednisolon is zorgwekkend.

In de loop van de middag komt er een laborant met een mandje aan haar arm. Buisjes worden gevuld met bloed en voorzien van stickertjes. Inmiddels ben ik het stadium dat ik mijn blik afwend als de naald in mijn arm verdwijnt en de buisjes vollopen wel voorbij. En dan te bedenken dat ik van kinds af aan niet zelden bijna flauwviel bij het zien van bloed. Vreemd om me te realiseren dat een bepaald fenomeen, in dit geval flauwvallen bij het zien van bloed, blijkbaar bestaat bij de gratie van het geloof erin. Ik heb dus op de een of andere manier het vermogen om deze functie uit te schakelen wanneer die niet meer van pas komt – het zou immers heel vervelend zijn als ik steeds flauwviel, gezien de frequentie waarmee nu bij mij bloed geprikt wordt – en ik vermoed dat dit bij een heleboel zaken het geval is. Geboeid kijk ik hoe het vinden van de ader een aantal keren mislukt omdat hij door het veelvuldig aanprikken vereelt is. Dat was een jaar geleden ondenkbaar.

Een bezoekje aan de afdeling radiologie voor een CT-scan levert ook nog wat afleiding op. Gelukkig, want in ziekenhuizen lijkt de tijd te rekken. Bijna alsof de seconden minuten worden; hoe beter je je voelt, hoe langzamer de klok tikt.

Ik heb ontdekt dat er veel CT-scanners bestaan, van verschillende merken ook. Vaak geproduceerd door fabrieken waar ook haardrogers worden gemaakt. Waar je al niet op let. Allemaal zoemen ze anders. Je gaat plat op een bed liggen en wordt ingespoten met contrastvloeistof. Raar spul is dat. De assistente die de allereerste CT uitvoerde, wist mij te vertellen dat contrastvloeistof gemaakt was van garnalen en voegde daar ongevraagd aan toe dat het volledig ongevaarlijk was. Maar ook daarover zijn de meningen – bij nader inzien – toch wat verdeeld. Het schijnt dat het jodiumhoudende spulletje onder andere coma en blijvende invaliditeit kan veroorzaken, maar daarover reppen de heren en dames medici met geen woord. Bij mij geen enge bijwerkingen, gelukkig. Ik vind de CT-scan en de daarmee gepaard gaande sensaties telkens weer een bijzondere gewaarwording. Slechts seconden nadat de vloeistof je lichaam binnenkomt, ontstaat een warm gevoel in je onderlichaam. Het doet mij een beetje denken aan een in de verte opkomend orgasme, maar dan zonder climax. Zo snel als het komt, ebt het gevoel ook weer weg. Na een paar keer ga je op deze vreemde sensatie in je onderlijf wachten.

Nadat het rare gevoel is weggeëbd, word je langzaam in een sciencefictionachtig apparaat geschoven, met daarin ronddraaiende ringen en rode lichtjes. Als je eenmaal ligt, verdwijnt de in loden schorten gehulde bemanning van het ruimtevaartuig achter een muur, en hoor je door de luidspreker: “Adem diep in. Adem vast. En adem maar weer door.” Dat kan zich een aantal keren herhalen, afhankelijk van hoeveel ze in kaart willen brengen. Daarna schuiven ze je er weer uit. Met grote voorzichtigheid en zorg; bovenmatige zorg in verhouding tot de uitgevoerde handeling, als je het mij vraagt. Zou dat dan stiekem toch met de risico’s van het zogeheten ongevaarlijke spulletje te maken hebben?

’s Middags knap ik behoorlijk op en is er ineens een onverwacht verzetje. De verpleegster heeft mij op het hart gedrukt zo nodig te bellen. Ze hebben het erg druk en mijn plechtige belofte om te bellen als ik iets nodig heb, geeft haar de ruimte om haar aandacht te schenken aan zaken die prioriteit hebben. Ik vind dat een prima regeling. In de loop van de middag vind ik het tijd om mijn familie in te seinen over mijn situatie en heb ik dus een telefoon nodig. Om me heen kijkend vind ik achter mijn bed op het bord met stekkertjes, slangetjes en knopjes een rood knopje met de afbeelding van een soort telefoontje erop. Ik druk. Er gebeurt zeven seconden niets. Vervolgens komen er een stuk of vijf verpleegkundigen holderdebolder mijn kamer binnenvallen. Met grote, gealarmeerde ogen kijken ze mij aan. Ik heb per ongeluk op de alarmknop gedrukt in plaats van op de bel.

Eindelijk een telefoon. Ik bel allereerst mijn moeder en vraag hoe het gaat met Lamar en Sergio. Lamar is een blij peutertje. Sergio is meer aangedaan dan ik had gehoopt, maar hij is in veel opzichten zoals ik. Hij draagt zijn lot met vertrouwen. Zo jong als hij is, heeft hij tot op heden geen traan gelaten. Niet van angst en niet van frustratie. Zijn moeder heeft gezegd dat ze van plan is beter te worden. En zo zal geschieden. Alle tijdelijke ongemakken neemt hij zoals ze zijn, voor de vuist weg, zonder mokken, zonder zelfmedelijden, zonder zichtbare angst. Wat een geweldig kind! De liefdevolle en vertrouwde schoot van zijn grootmoeder is een goed alternatief in afwezigheid van zijn moeder.

Mijn vader komt nog even aangewipt. In zijn eentje. Zijn bezoekje is wat gespannen en vluchtig. Het lijkt alsof hij eigenlijk geen tijd heeft en snel weer weg moet. Heeft hij nog andere verplichtingen? Misschien wil hij graag geloven dat het allemaal wel meevalt. Het is niet onwaarschijnlijk dat het emotioneel moeilijk voor hem is om zijn dochter te zien in de conditie waarin ze nu verkeert.

Vanaf mijn terugkomst in Nederland heeft mijn vader op zich genomen mij te escorteren bij alle ziekenhuisbezoeken, wanneer ik daaraan behoefte heb. Zo ook bij de behandelingen; dat zijn ook voor hem allesbehalve zondagsuitjes. ’s Morgens om zeven uur vertrekt hij van huis om mij om negen uur thuis op te halen. Vrolijk kletsend vertrekken we dan richting het ziekenhuis, alwaar hij mij gedurende de vier à vijf volgende uren ziet veranderen in een asgrauwe, slappe vaatdoek, die bij vertrek naar huis nauwelijks haar ene been voor het andere kan zetten en eenmaal thuis aangekomen hondsberoerd in een tweedaagse katzwijm valt. Tegenover mij houdt hij zich oersterk, maar vaak genoeg zie ik de onmacht in zijn ogen en klinkt de pijn door in zijn stem. Ook hij lijdt.

Gedurende de eerste nacht in het ziekenhuis word ik weer veel slechter. Slechter nog dan de dag ervoor. De volgende ochtend is Rogier er vroeg bij en ziet hij met eigen ogen dat mijn toestand niet bepaald flamboyant is. Wederom spiegelt mijn gezondheidstoestand zich in de ogen van het medisch personeel. Wederom lees ik – dit keer in de ogen van mijn arts – hoe belabberd ik eraan toe ben. Ik begin me zorgen te maken.

De ochtend breng ik in waak-slaaptoestand door. Het lijkt of het leven gewoon doorgaat, maar ik er even niet aan meedoe. Ik vind het wel best. Laat mij maar met rust. Het is goed zo. Ik voel geen pijn, geen angst, geen verdriet, alleen overgave aan dat wat is.

Als ik ’s middags weer opknap en rechtop ga zitten in bed, is het kamertje dat ik eerst voor mezelf had, verrijkt met twee andere patiënten: een vrouw en een man. De man ligt net als ik vanochtend alleen maar te slapen. De vrouw en ik krijgen oogcontact. Ik groet haar. Ze is een jaar of 60. Naast haar bed zit een vrouw die duidelijk haar dochter is. De vrouw in het bed heeft een sjaal als een tulband om haar hoofd gewikkeld.

Pruiken en sjaaltjes, wie heeft dat eigenlijk verzonnen? Terwijl de meesten van hun mannelijke zielenbroeders met hun kale knikkertjes de wereld tegemoet blijven treden, verbergen vrouwen hun kale hoofden onder pruiken en sjaaltjes. Kaal zijn als gevolg van chemotherapie is geen zelfverkozen lot, geen resultaat van een slecht verfbadje, maar een gegeven van het leven: de uiterlijke marker van een bikkelharde strijd vol angst, onzekerheid, woede en diepe onrechtvaardigheid. Een ultieme een-op-een met de dood. Een strijd waarbij niet de ‘good guys’ winnen en de ‘bad guys’ sterven, zoals in Hollywoodfilms. Een kale kop is een strijdkreet, een kop die respect en nederigheid afdwingt. Een kale kop mag fier worden gedragen, want eenieder die een dergelijke strijd levert, is een held.

“O, ik dacht dat je een soort van bewusteloos was,” zegt de vrouw verbaasd. Ze hoest en rochelt net zoals ik. Nee, veel erger nog. Automatisch neemt ze aan dat ik longkanker heb, net als zij. Wat maakt het uit. In dit ziekenhuis doen we allemaal een dans met de dood, alleen is de muziek soms verschillend. Ik denk, te horen aan haar woordkeuze en haar rochel, dat ze niet lang meer heeft. Ik heb een dergelijke rochel eerder gehoord. Het klinkt alsof er stukjes long mee naar boven komen. Ze maakt een verslagen indruk. Misschien leest zij in mijn ogen wel hetzelfde als ik lees in die van haar, de artsen en de ambulancebroeders? Ik heb geen idee.

We wisselen uit over de onrechtvaardigheid van het lot dat zich over ons voltrokken heeft. Wanhopig zegt ze: “Ik heb geen dag van mijn leven gerookt.” Ze kijkt me aan met grote, vragende ogen, alsof haar laatste hoop gevestigd is op een verklaring van een door haar als zodanig bestempelde lotgenote. Als ze even later verneemt dat mijn kinderen anderhalf en 7 jaar oud zijn, besluit ze het gesprek met de conclusie dat het dan voor mij nog erger is dan voor haar: “Omdat jij jonger bent en zulke jonge kinderen achterlaat.”

Inwendig protesteert alles in mij. Ik wil tegen haar zeggen dat er met mij niets ergs is, dat ik gewoon een tijdelijk medisch dipje heb. Maar welk doel zou het in vredesnaam dienen om mijn overtuigd zijn van een lange en gelukkige levensvoortzetting af te zetten tegen haar overduidelijk naderende einde? Het zou haar alleen onnodig confronteren. Bovendien zou het pure arrogantie zijn, want wat weet ik uiteindelijk over mijn eigen lot? Ik houd mijn mond en laat haar in de waan dat ze zojuist een stervende tegengekomen is, die het nóg slechter getroffen heeft dan zij. Ze lijkt hierin een soort berusting te vinden.

De nacht van deze dag eindigt nóg belabberder dan de nacht ervoor. Daarop volgt een dag met nieuwe laboranten met mandjes vol buisjes en stickers, want de eerste kweekjes hebben geen resultaat opgeleverd en mijn situatie is aanmerkelijk verergerd. Er volgen tevens een CT-scan, een ademtest en een bezoekje van de knappe longarts met zijn versleten ribbroek. Zelfs de dermatoloog komt kijken naar mijn teennagels, die een aantal weken daarvoor ineens in hun nagelbedden lagen te soppen en stonken naar rot fruit. Ik leer wat een saturatiemetertje is en waarvoor het dient. Aan de beterende hand ben ik in ieder geval niet, integendeel. Ik verhuis van de afdeling opname naar de afdeling voor lange­termijngevalletjes. Ik mag dus voorlopig nog even blijven.

In de dageraad van de nacht die daarop volgt, beleef ik een bizar bewustzijnsmoment. Ik ontwaak met doodsangst uit mijn diepe slaap; ik heb het heel benauwd. Het is gruwelijk vroeg, misschien een uur of vijf. Verlamd van angst lig ik op mijn rug en merk dat mijn longcapaciteit opnieuw is afgenomen ten opzichte van de dag ervoor. Ik lig – emotioneel of geestelijk niet in staat om tot enige vorm van actie te komen. Ik hoor mezelf denken dat ik misschien op mijn belletje moet drukken en de verpleging moet laten weten dat het slecht met me gaat, maar ik doe niets. Door mijn hoofd galmt de vraag of ik zomaar in mijn slaap dood kan gaan, of de mogelijkheid bestaat dat ik stop met ademen en wegglijd zonder dat iemand het weet. Ik doe niets. Ik lig – seconden, minuten en uren tikken weg. Ik lig – opgaand in mijn ademhaling.

De afgelopen maanden flitsen aan me voorbij. Die dag in maart aan de besneeuwde oevers van de rivier in Noorwegen had ik besloten dat het niet mijn tijd was. Dat ik simpelweg niet dood kon gaan. Maar nu, liggend op mijn rug en opgaand in mijn angst, weet ik het allemaal niet meer zo zeker. Ik vraag me bij elke ademtocht af of er nog een volgende komt. Ik wil blijven ademen, dat in ieder geval. Liggend op mijn rug wacht ik in totale overgave op de ochtendronde. Totaal handelingslam kan ik niets anders dan ademen en ‘zijn’.

Als de ochtendronde begint en de saturatie gemeten wordt, koppelt de verpleegster mijn neus aan een zuurstofslang, omdat de saturatie tot onder het minimaal toelaatbare is gedaald. Bij het ontbijt krijg ik een overheerlijk Frans croissantje. Waar krijg je dat, een vers croissantje bij je ziekenhuisontbijt? Het voelt als een galgenmaal. Opnieuw volgt na inname van Prednisolon een aanzienlijke verlichting van de symptomen, en weer wijzen de CT-scan en de bloedresultaten van die dag niets uit. Maar het is een drukke dag. Mijn moeder en de kindertjes komen. Eindelijk. Samen met mijn broer. En mijn vader en stiefmoeder komen ook.

Maar eerst komt Rogier van Pasen. Deze keer wordt hij vergezeld door een stuk of vijf witte jassen: assistenten in opleiding. In grote ernst staan ze rond mijn bed. Dokter Van Pasen doet de stand van zaken uit de doeken: “Alle uitslagen op de kweekjes van het bloed zijn negatief. De CT-scan van de longen en de ademtest laten geen bijzonderheden zien. Dat zou goed nieuws zijn, ware het niet dat de toestand van de patiënt verslechtert.” Ik breng ter sprake dat ik duidelijk een patroon zie: dat ik gedurende de dag opknap en gedurende de nacht weer veel slechter word. Ik breng het in verband met het innametijdstip van de Prednisolon. Het vreemde is dat er uit onderzoek vooralsnog helemaal niets naar voren lijkt te komen dat mijn benauwdheid kan verklaren. Een longontsteking is een mogelijke verklaring, maar die zou door de Prednisolon beheerst moeten zijn, en bovendien zichtbaar op de CT-scans die de afgelopen dagen zijn gemaakt. Voor morgen wordt een bronchoscopie ingepland bij de longarts. Een vervelende ingreep waarbij een slangetje met camera ingebracht wordt in je longen, om zo via camerabeeld vast te leggen wat zich daar afspeelt.

Er brandt sinds vanmorgen een vraag op mijn lippen. Ik wil hem stellen aan Rogier en baal ervan dat deze assistenten allemaal onaangekondigd aan mijn bed staan. Ik voel me daardoor een soort medische bezienswaardigheid: die vrouw die elke dag zieker wordt, maar bij wie geen oorzaak aan te tonen is. Die brandende vraag is ook moeilijk, misschien wel de moeilijkste vraag die zich ooit aandient gedurende je leven. In ieder geval de moeilijkste die ik ooit heb gesteld.

Ik begin hakkelend. “Ik wil nog wat vragen.” Stilte. “Ik merk dat het elke dag erger wordt en dat er nog niet veel duidelijk is over de oorzaak. Het is belangrijk voor mij om dit te weten. Kan ik hieraan doodgaan?” Ik voel dat ik vervloei met mijn omgeving. Alsof ik buiten mijn eigen ik getreden ben en mezelf aanschouw, terwijl ik tegelijkertijd ook de aanwezigheid van mijn eigen lijf beleef en mezelf wél identificeer als steller van de vraag. Rare gewaarwording. Het went niet, zelfs al heb ik zo langzamerhand toch al behoorlijk wat van deze ervaringen. De eerste keer bewust toen mijn ouders mij vertelden dat ze gingen scheiden en daarna herhaaldelijk, meestal in situaties waarin mijn geest het zwaar te verduren had. Het lijkt alsof mijn waar­neming van wat ik ervaar plaatsvindt vanuit een ander bewustzijn. Een bewustzijn dat onaangeroerd is door datgene wat zich met mij en om mij heen afspeelt. Alsof ik mijzelf en mijn wereld in vogelperspectief aanschouw vanuit mijn eigen oogkassen. Erover schrijvend realiseer ik me dat het vaag en zweverig klinkt. Toch ben ik ervan overtuigd dat het een bewustzijnstoestand is die bij iedereen incidenteel voorkomt. Vaak wordt die echter niet bewust erkend of herkend, omdat hij vervliegt in de heftigheid van de emoties en gedachten van zo’n moment.

Rogier denkt na, al is het maar een fractie van een seconde. Terwijl alle witte jassen hun adem inhouden, speuren zijn hersenen naar medische kennis en ervaring en zoekt zijn geweten naar een oprecht antwoord. Want hij is arts en duidelijk gewend aan het werken met mensen die oog in oog staan met de vergankelijkheid van het leven, maar hij is ook diep oprecht en betrokken.

Ik bewonder hem om zijn moed. Dag in dag uit wordt hij geconfronteerd met mensen zoals ik, met mensen die oog in oog staan met de dood. Hij ziet meer dan de helft van zijn patiënten de strijd verliezen, maar desondanks heeft hij het vermogen om betrokken en begaan te zijn. Hij geeft mij het gevoel een mens te zijn in plaats van een medisch object dat behandeling ondergaat. Of is datgene wat ik ervaar niet weggelegd voor al zijn patiënten? Heeft hij een bijzondere en intiemere band met mij? Hij is tenslotte een leeftijdsgenoot met kinderen in dezelfde leeftijd. Wie zal het zeggen? Of misschien is het mijn oprechte, zuivere, diepe berusting in mijn situatie, die hem in staat stelt om zich te openen? Hoe dan ook is het voor mij ongelooflijk prettig om zo oprecht en integer ontmoet te worden. Zelfs als het alleen maar bestaat in mijn eigen beleving.

“Nee, ik denk nu van niet. Nu is het in ieder geval nog te vroeg om in die richting te denken,” antwoordt hij. Ik breng ter sprake dat ik twee kleine kinderen heb en dat het voor mij belangrijk is dat ik zo vroeg mogelijk zou horen of ik dood zou gaan, omdat er dan nog een heleboel te doen staat. Vervolgens hoor ik mezelf een akkoordje sluiten: ik word – zo snel mogelijk en het liefst een dag of tien van tevoren – op de hoogte gesteld wanneer hij de indruk krijgt dat ik dood zal gaan aan deze nog steeds ondefinieerbare sloper. Lekker nuchter en praktisch, alsof we de aankomende vakantieperiode inroosteren. Het moet niet gekker worden. Ik bespreek met mijn arts de aankondiging van mijn mogelijk aanstaande dood!

Baldadig

Nog een CT-scan voor het einde van de ochtend en dan gaat mijn aandacht uit naar een nieuw dilemma. Mijn kinderen komen aan het einde van de middag en ik ben in een miserabele staat: lijkbleek, kaal, puffend, rochelend, met zuurstofslangetjes in mijn neus en een infuusnaald in mijn arm. Dit gaat ze niet bepaald geruststellen. Uitstellen? Maar ik heb ze al drie dagen niet gezien en uitstel is geen optie, gegeven het feit dat het tot nu toe alleen maar erger is geworden. Ergens in de verte daagt zelfs de angst dat het wellicht een van de laatste keren zou kunnen zijn dat ik ze zal zien. Ik besluit mijn moeder te bellen en haar op de hoogte te brengen van de nieuwe ontwikkelingen. Ik vraag haar om de kinderen vast te vertellen dat ik gekoppeld ben aan zuurstof en dat dit er erger uitziet dan het is. Dat die zuurstof alleen maar is om lekker te kunnen ademen. Ook instrueer ik haar het bezoek nuchter en blijmoedig te houden en geen gehoor te geven aan eventuele spontaan opkomende emoties omtrent mijn gezondheidstoestand. Dit is niet haar ‘feestje’ maar dat van mijn kinderen en mij.

Ik voel ineens een intense behoefte om in actie te komen. Ik wil een cadeautje voor ze kopen in de cafetaria beneden in de hal van het ziekenhuis, maar heb geen idee hoe. Wanneer ik mijn dilemma met de verpleegster deel, stelt ze tot mijn verrassing voor om me te koppelen aan de mobiele zuurstoftank. Dan kan ik op avontuur, want het is middag en ik voel me weer beter. Uit een soort van berging komt een duikersfles op een steekkarretje. Ik word aangekoppeld. Hatsiekiedee: de wereld ligt aan mijn voeten. Vastbesloten om iets leuks te scoren voor mijn kinderen, begeef ik me naar de lift. Ik sta te tollen op mijn benen en voel me de vaatdoek der vaatdoeken. Ongeveer zoals die ene keer toen mijn Hb-waarde gedaald was naar 4,3 en ik nietsvermoedend het plan had opgevat om met mijn man en kinderen op en neer te fietsen naar het strand. Alleen heb ik nu bovendien het gevoel dat mijn longen nog maar 20 procent van hun normale inhoud hebben.

Beneden in de centrale hal schuifel ik, niet onopgemerkt door de passerende bezoekers, met mijn steekwagentje naar de cafetaria. Snoep en rommel is het enige wat ze verkopen. En ballonnen, allemaal met ‘Beterschap’, ‘Sterkte’ en ‘Get well’ erop. Vanuit mijn ooghoek zie ik mijn vader en mijn stiefmoeder het ziekenhuis binnenkomen. Ik schuifel in hun richting. Het lijkt even te duren voordat ze me herkennen. Ze reageren afwezig en lauw. Is hun reactie een spiegeling van mijn fysieke conditie en energieniveau? Dat vermoed ik. En dat terwijl ik me juist zo’n bikkel voel, omdat ik ondanks mijn fysieke gesteldheid besloten had aan de schuifel te gaan.

We gaan naar boven naar de ontvangstruimte. Vaag besef ik dat ik nog geen cadeautje voor mijn kinderen heb, maar ik ben niet bij machte om deze gedachte om te zetten in daden. Het gesprek dat plaatsvindt, dringt nauwelijks tot me door. Elke zin kost me moeite. Ik probeer af en toe nog wat gevatte opmerkingen te plaatsen en breng verslag uit van de staat van mijn gezondheid. Mijn vader zal mij de volgende dag vergezellen tijdens de bronchoscopie. We spreken af hoe laat hij aanwezig is en daarna vertrekken ze weer.

Vermoeid van dit bezoek ga ik een paar uur slapen. Als ik wakker word, staan mijn moeder en mijn kinderen voor mijn neus, samen met mijn broer. God, wat heerlijk om mijn kinderen te zien. Ze klimmen op mijn bed en hun heldere stemmetjes vullen de hele afdeling. Verheugd drukken ze op de knopjes van het bedieningspaneel van mijn bed, dat naar boven en naar beneden beweegt. Ik ben vastbesloten om mij van mijn sterkste kant te laten zien, dus vraag ik de verpleegkundige om me weer aan te sluiten op de blauwe tank en schuifel ik richting ontvangstruimte, vergezeld door mijn twee uitbundige kids, mijn moeder en mijn broer. Ook van dit bezoek gaat het grootste gedeelte aan me voorbij. Ik geniet met volle teugen, dat wel, maar eigenlijk gaat al mijn energie naar het overeind blijven zitten en een vitale indruk maken.

Wanneer de avond valt, bekruipt mij weer de angst. Immers, ik weet inmiddels dat ik morgen in alle vroegte wakker zal worden en het weer heel benauwd zal hebben. Die avond durf ik zelfs niet te vragen om een slaappilletje, zoals ik de dagen ervoor wél gedaan heb, bang om niet gewekt te worden door mijn eigen zuurstofgebrek en weg te glijden in mijn slaap zonder het ooit te weten. Ik deel mijn angst met de verpleegkundige van de avondronde. Ze biedt aan om vannacht een paar keer bij me te komen kijken. Die wetenschap schept genoeg veiligheid om de nacht aan te vangen.

Licht slapend bemerk ik een aantal keren een geruisloze verpleegster die verschijnt aan de rand van mijn bed en vervolgens weer verdwijnt. Dit schept een innig gevoel van geborgenheid. Fijn dat ze hun belofte zo serieus nemen. Die nacht denk ik veel meer dan ik slaap, en mobiliseer ik energie en strijdlust. Ik weet dat binnen nu en een aantal uren de benauwdheid weer zal toeslaan. Dat maakt me deze nacht, heel anders dan de vorige nacht, opstandig. Ik besluit dat ik me niet meer door mijn eigen lijf laat bedisselen. Ik duw de angst van me af en hul me in rebellie. Als ik er niets aan kan doen, kan ik me er net zo goed geen zorgen over maken. De dood of de gladiolen! Ik geef me over aan een oppervlakkige slaap. Zelfs de benauwdheid van de dageraad laat mij, geestelijk althans, wonderlijk onberoerd. Het plot van mijn eigen leven lijkt door mijn handen te glijden. Het enige dat ik daadwerkelijk kan beïnvloeden, is mijn keuze om wel of niet te berusten in mijn lot. Blijkbaar kies ik ervoor te berusten, want het kan me geen ene flikker meer schelen.

“If a problem is fixable, if a situation is such that you can do something about it, then there is no need to worry. If it’s not fixable, then there is no help in worrying. There is no benefit in worrying whatsoever.”
– Dalai Lama XIV –

De volgende ochtend na het ontbijt én de dagelijkse portie Prednisolon voel ik me langzaam weer sterker en besluit ik ‘eropuit te trekken’. Ik heb het nog steeds benauwd, maar er is niets wat erop duidt dat bedrust mij goeddoet. Ik heb ooit eens gehoord dat je longen als spieren zijn en dat je ze kunt trainen. Trainen dus. Een zuurstoftank wordt weer voorgereden en ik begeef me naar de lift. Daar heb ik een bordje gezien: Panoramatuin, alleen voor patiënten. Frisse lucht, dat lijkt me wel wat. En dat op de bovenste verdieping van het gebouw.

‘Panoramatuin’ blijkt een groot woord. Het is een soort veredeld dakterras met hier en daar een bankje. Wel met een mooi uitzicht. Af en toe dient zich een stiekeme roker aan – ook vergezeld van een zuurstoftankje. Ik merk dat zo’n aanzicht bij mij veel weerstand oproept. Ervarend hoe benauwd ik het zelf heb, kan ik me niet voorstellen hoe je dan voor je plezier nog een teug rook naar binnen kunt trekken. Misschien zijn zij ook rebels?

Ik loop ’s middags vergezeld door mijn vader en met mijn zuurstoftankje naar de bronchoscopie, in plaats van me te laten rijden in een bed. Dat voelt stoer en krachtig. Ik ben gammel en loop letterlijk te tollen op mijn benen, maar wel met het gevoel weer het stuur van mijn eigen lijf in handen te nemen. We komen door de grote hal waar ik weer veel ogen van bezoekers op me gericht voel. In die ogen ervaar ik een mengeling van angst, respect en voyeurisme. Op een bizarre manier put ik kracht en trots uit het feit dat ik gezien word in mijn heldhaftige poging om greep te krijgen op mijn zelfrespect door te lopen in plaats van me te laten rijden. De angst die ik zie in de ogen van mijn toeschouwers wekt in mij zelfs een soort genoegen. Zij vrezen dit lot; voor hen hangt het als een zwaard van Damocles boven hun hoofd. Zij zijn – zo op het oog – gezond en hebben iets kostbaars te verliezen: het meest existentiële dat er bestaat, namelijk hun gezondheid. Ik heb alles al verloren; met mij kan het alleen nog maar beter gaan. Of ik ga dood of ik word beter. Geen van beide is een slecht alternatief voor mijn huidige staat.

De bronchoscopie wordt uitgevoerd door dokter Van Dalen, Maarten voor intimi. Hij is een knappe longarts met een arsenaal aan versleten ribbroeken in diverse kleuren. In zijn gezelschap mag ik mij steeds vaker verheugen. Ik ben romantisch geïnteresseerd in hem en hij is geïnteresseerd in mijn longen: de heilige driehoek van de arts en de patiënt. Bij binnenkomst word ik meteen verzocht mijn bovenlijf te ontkleden. Daar sta ik dan topless. Dit is al eindeloos vaak gebeurd, alsof het niets is om in je blote borsten te zitten ten overstaan van je volledig geklede vader en een vreemde man. Misschien is dat wel het meest onterende van ernstig ziek zijn: je lijf wordt eigendom van anderen. Er wordt ‘met je gedaan’. Het kan waarschijnlijk niet anders, want anders word je niet beter. Maar het voelt toch vaker dan me lief is of ik een object ben, dat ontdaan van elk gevoel van zelfbeschikking van hand tot hand gaat.

“My role as your master is to debase you to the point of having
no feelings, no emotions, no hopes or dreams.”
– ‘Tears of Tess’, Pepper Winters –

De steriele donkere ruimte waar dokter Van Dalen vandaag praktijk houdt, doet vreemd aan. De lange krullenbol met de versleten ribbroek bereidt zich voor, terwijl ik gedwee zit te wachten op de zoveelste scopie. Ik begin ze te tellen: laproscopie, neusendoscopie, colloscopie, gastroscopie, bronchoscopie. Dit is dus nummer vijf. Hoeveel scopieën zouden er nog volgen na deze? Geen enkel deeltje van mijn lichaam blijft onaangeroerd. Ze hebben ook al twee keer in mijn beenmerg geboord. Dat valt dan weer niet in de categorie scopieën, maar onder de puncties. En dan heb je nog de biopten.